Beste mensen,

“Wat vindt u ervan als mens?”, vroeg de interviewer in dagblad Trouw.

“Het doet er niet toe wat ik er als mens van vind, ik zit hier als minister”, antwoordde demissionair minister van Asiel en Migratie Van Weel. Het was een interview in verband met asielwetten die hij door de kamer probeert te loodsen.

Ik begrijp dat er functies zijn waar je een taak hebt, waarbij je je niet moet laten leiden door je gevoel. Dat werkt ongelijkheid in de hand, want de een mag ik wel en de ander vertrouw ik niet. Daarom volgen ambtenaren regels. Dat houdt de situatie zuiver.

Tegelijk klinkt het kil, wat de minister zegt. Alsof de menselijke kant in je werk geen rol mag spelen. Heel strikt regels volgen kan leiden tot misstanden zoals de Toeslagenaffaire, waarvan zelf rechters achteraf zeggen dat ze de menselijke kant te weinig hebben laten meewegen.

Kán een minister zijn/haar mening echt uitschakelen? We horen verhalen over hoe belangrijk sfeer is tussen bewindspersonen. Die sfeer heeft veel invloed op de vraag of ze samen iets bereiken.

Zo geldt toch ook in het algemeen dat er een grens moet zijn, waar je overtuiging en je taak niet meer samen gaan?

Is er in deze tijd waarin zoveel verharde standpunten zijn, niet behoefte om meer van de mens te zien? Ik bedoel niet de onderbuikgevoelens – die wakkeren tegenstellingen alleen maar aan -, maar te zien hoe en waarmee iemand zich verbindt.

Het antwoord dat de minister gaf, is zakelijk en kil.

Het was interessanter en mooier geweest als hij had gezegd: ‘Ook als mens sta ik achter mijn besluiten als minister’. Of: ‘Persoonlijk vind ik dit, maar mijn ambt vraagt mij dat te doen’.

Met een hartelijke groet,

ds. Menso Rappoldt