Beste mensen,

Ik had haast. Ik moest een trein halen voor een vergadering in het land. Maar eerst nog even naar de markt.

Het had gesneeuwd, de fietspaden waren redelijk begaanbaar, maar bij sommige stukjes was het oppassen. ‘Rustig aan’, zie ik tegen mezelf. Afgelopen week hoorde ik van drie mensen dat ze waren gevallen en iets hadden gebroken.

Bij één van de kramen trof ik een verkoopster die er een gezellige dag van wilde maken. Gelijk had ze, want druk zou het niet worden met dit weer. Bij elke handeling en elke collega die ze tegenkwam in de kraam, maakte ze een praatje. Zo nam het pakken en inpakken veel tijd in beslag. Ik dacht ondertussen aan de trein die ik moest halen.

Toen ik het tijd was om af te rekenen, hield ze het pinapparaat voor me omhoog met de achterkant naar me toe. Ik hield mijn pinpas er tegenaan. Er gebeurde niks. Nog een keer. Weer niks. ‘Dat gaat niet met een hoesje’, zei ze. Want ik stop mijn pinpas altijd in hardplastic hoesje.

‘Hij doet het overal mét hoesje’, zei ik en probeerde het weer. Maar geen enkele reactie van het apparaat. ‘Nee hoor’, zei ze, ‘hij doet het niet met hoesje’. Ik dacht aan de trein en haalde de pas uit het hoesje. Maar het pinapparaat gaf geen sjoege. Nog een keer. Weer niks.

‘Dat is raar’, zei ze. Hoe vaak en hoe lang ik de pas er ook tegenaan hield, het gaf geen resultaat. Ik dacht aan de trein. Er kwam een collega van haar bij staan die het pinapparaat nodig had. ‘Hij doet het niet’, zei mijn verkoopster. De collega keek op het scherm en zei: ‘Je moet op ‘afrekenen’ klikken’. ‘O ja’, zei mijn verkoopster en de transactie werd warempel voltrokken. Het scherm gaf een groen vinkje. Gelukkig. Ik pakte mijn waren in en we wensten elkaar een goed weekend. Ik moest naar nog drie kramen en fietste weer naar huis. Voorzichtig. Ik was net op tijd voor de trein.

Met een hartelijke groet,
ds. Menso Rappoldt